HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK & ZOON.

1902.

HARVARD UNIVERSITY

LIBRARY

OF THE

CRAY HERBARIUM

Received "4-^. \"i

ALBUM DER NATUUR

ALBUM

DER

NATUUR

ONDER REDACTIE VAN

P. LUBACH E. VAN DER VEN HUGO DE VRIES - J. NIEUWENHUYZEN KRÜSEMAN R. S. TJADEN MODDERMAN P. F. ABBINK SPAINK

1902

HAARLEM

H. D. TJEENK WILLINK & ZOON

Digitized by the Internet Archive in 2015

>4

https://archive.org/details/albumdernatuur1902hart

INHOUD.

/ Bladz.

H. C. Redeke, Friedi’ich Heincke’s onderzoekingen over den haring 1

Calkoen, Het onderzoek van plantenziekten 18

A. J. Servaas van Rooyen, De ’s Gravenhaagsche hortus medicus 24

R. S. Tjaden Modderman, Een leerboek over de phasenleer 3 0

L. Posthumus, De wapens der gewervelde dieren 33

E. VAN DER Ven, Tycho Brahe , door hem zelven beschreven 47

J. Hendrik van Balen, De kalongs of vliegende honden 56

C. M. L. PoPTA , Over de aanhangsels van de kieuwbogen der visschen . . . . 65

L. Posthumus, De wapens der weekdieren 82

J. Hendrik van Balen, De Maleische beer (Ursus malayanus) 92

De Vries, Het uitsterven van veenplanten 95

Henri Hus, Boschéxploitatie in Californië 97

L. Posthumus, De wapens der wormen 115

P. F. Abbink Spaink, Iets over de schildklier (met een plaat) 129

W. Burck, Opmerkingen over planten met prikkelbare stempels 133

H. O VERHOEF, Eenige merkwaardige resultaten van het diepzee-onderzóek . . 146 Anna C. Croiset van der Kop, De geschiedenis der Chineesche astronomische

instrumenten 157

Chr. A. C. Nell, Warmte en vochtigheid in den dampkring 161

B. P. VAN DER Voo, Lentebloemen 182

P. F. Abbink Spaink, Arsonvalisatie 188

J. E. Enklaar, De phasenleer 193, 221

R. S. Tjaden Modderman, Gebruik van de armen onder het loopen 214

J. Hendrik van Balen, De Maleische wilde hond 216

VI

INHOUD.

Bladz.

R. S. Tjaden Modderman, Het ontstaan van de Arabische gom 219

, Bereiding van bijtende natron en chloor door

electrolyse 220

, Bereiding van zwavelzuur volgens de contact-

methode 238

E. van der Ven, De totale zonsverduistering van 18 Mei 1901 251

J. J. LE RoY, De Utrechtsche vacantie-cnrsus van 1902 253, 285

H. Overhoef, Waar sterven de dieren? 273

II. F. OVERHOFF, De tabak 282

R. S. Tjaden Modderman, Een nieuw leerboek der scheikunde voor tnid-

delbaar onderwijs 303

F. C. VAN Brussel, Iets over den reukzin der bijen 30?

De Egyptische woestijnmuis in huis 312

R, S. Tjaden Modderman, Het halve eeuwfeest van het Album der Natuur 317

IIUGO DE Vries, Het driekleurige viooltje 323

R. S. Tjaden Modderman, Over den historischen samenhang tusschen

Dalton’s atoomtheorie en de wet der veelvoudige evenredigheden 33J!

E. VAN DER Ven, Het telegrafeeren zonder draad 344

P. F. Abbink Sbaink, De geneeskunde der laatste jaren 351

INHOUD VAN HET WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

Sterrenkunde.

Bladz.

Het kleurenbeeld van Nova Persei 1

Verplaatsing van de Poolster 9

De spectroscopische dubbelster Capella 9

De planeet Neptunus en bare satelliet 10

Periode van Mira 10

De paral lax is der vaste sterren 10

De omgeving van Nova Persei 17

De verandering der breedte. 17

De middellijn van Mars 18

De ringvormige zonsverduistering van 10 Nov. 1.1 18

Een asteroidebaan met groote uitmiddelpuntiglieid 25

Een gelijktijdig zichtbaar zijn van de zon en van een totale maaneclips. . . . 33

De middellijn van Jupiter 33

Waarnemingen betreffende Jupiter 41

De vervorming van de zonneschijf bij haar ondergaan 49

Signalen van Mars 57

Saturnus zichtbaar tusschen de ringen door 58

De nevelvlek in Orion 65

De zonsverduistering van 18 Mei 1901 65

De periodieke komeet van Tempel-Swift 73

Veranderingen op de oppervlakte van de maan 73

De omwentelingstijden der buitenplaneten 81

Vulkanische werkingen op aarde in verband met de maan 81

VIII

INHOUD VAN HET WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

Natuurkunde.

Bladz.

Becquerelstralen 18

De wet van Boy Ie voor lage drukkingen 19

De colierer 34

Het meten van osmotische drukking 58

Chemie.

Is arsenicum normaal bestanddeel van dierlijke organen? 1

Ontleding van alcoholen door hitte 2

Dampdichtheid van de zwavel 10

Trisulfimide 19

Kaneelzuur en isomeren 20

Internationale atoomgewichten 25

Reactie op trichloorazijnzuur 26

Argon en consorten 26

Atoomgewicht van het calcium 35

Duitsche en engelsche teer-industrie 36

VVaterstofverbiudingen van de metalen der alkaliën en alkalische aarden... 42

Verbindingen van goud met chloor 43

Nieuwe synthesen van het mierenzuur 43

Betrekkelijke sterkte van salpeteiv-uur en zoutzuur 49

Synthese van atropine 50

Invloed van vochtigheid op de vereeniging van waterstof en zuurstof 51

Zuiver jodium 58

Nieuwe synthese van methaan 59

Werking van ’t licht op selenium bij lage temperaturen 66

Eenige lesproeven 66

Atoomgewicht van het selenium 67

Koffieolie 74

Bereiding van bijtende baryt uit zwaarspaath in den electrischen oven 75

Bereiding van aromatische kwikverbindingen 75

Scheiding van thiopheen en benzol 76

Verbindingen van chlooizilver met oi-ganische basen 76

Over de werking van waterstofperoxyde op koolzure zouten 82

Gekristalliseerd waterstofperoxyde 82

Geschiedenis van de synthese van alcohol 82

Synthesen van wijnsteenzuur 83

INHOUD VAN HET WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

IX

Landbouwchemie.

Bladz.

Over den kalkfactor voor verschillende gewassen 87

Plantkunde.

Dadels zonder pitten 3

Ontstaan van eiwit in bollen en knollen 3

Monstrositeiten 3

Verdelging van nachtvlinders in wijnbergen 4

Invloed van koude op kerndeelingen 4

Kiemplanten van Cucurbita 11

Steriele haver 12

Variabiliteit van Primula 12

Het vaderland der cocospalmen 21

Groei bij dag en bij nacht 21

Een nieuwe soort van kersen 22

De rol van den nucleolus 27

Fossiele bacteriën 28

Het zaaien van Orchideeën 36

Bekers van Ficus 37

Heksenbezems 43

Endospermbevruchting bij Monotropa 51

De wortel mijt van den wingerd 52

Plotseling ontstaan van een nieuw orgaan in een plant..... 60

De plaats der celkernen 60

Gasvacuolen bij een bacterie 60

Banyan 61

Nepaul-gerst 67

Roode klaver op Nieuw-Zeeland 68

Koolzuur-ontleding 76

Tweekernige cellen der Hymenomyceten 77

Bevruchting van Zamia 77

Houtbouw van wintergroene boomen 83

De ontkieming der granen 84

Werking van koper op bladeren . 85

Afzonderlijke weefselcellen 85

INHOUD VAN HET WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD,

Dierkunde.

Bladz.

Het gezang der vogels 23

Verzorging van de larven van kevers 24

De vink 45

Schedel van monotremen en reptiliën . . . 46

Gewicht van Rana virescens 46

Psyche van ratten 55

Physiologie.

Kunstmatige kleurenblindheid 12

De inwerking van extract van de bijnier op gladde spiervezelen 13

Thermische prikkels en lymphebeweging 13

De functie der kleine hersenen 13

Het ademen der vogels 14

Hersenbeleediging en temperatuursverhooging 14

Zeewater* en zoetwatervisschen 22

Oorzaken en beteekenis der rechtshandigheid 28

Carnosine 3 1

Plexus coeliacus 31

Dubbel bewustzijn 44

Slaapdiepte .... 45

Schildklierproducten 53

Hypophysis en Akromegalie 54

Alcohol . 55

Taxeeren van gewichten 61

Koffie en thee 62

Vivisectie 62

Zweet 68

Spiegelschrift 69

Slapen en bewaken . 78

Multiple persoonlijkheid 78

Röntgenstralenblindheid 86

Adrenaline 86

INHOUD VAN IIKT WETENSCHAPPELIJK IJIJBLAD. XI

Hygiëne.

RIadz.

Positieve tuberculose-proeven 4

Vervuiling van de rivier de Wolga door het petroletim-vervoer 7

Zindelijkheid en gele koorts 24

De rnalaria-expeditie 31

Serum tegen slangenbeet 37

Behandeling van kanker 38

Ratten en Pest 46

Verongelukking van kinderen 55

Dollehondsbeet 56

Alcohol en degeneratie 56

Herediteit en doofheid . . 63

Worstvergift 64

School en skoliose 69

Vergiftiging door photographische lichtpatronen 69

Diphtherie en melk 79

Vaccine voor jongehondenziekte 86

Geneeskunde.

Stereoscopische Röntgenopnamen 63

Aardkunde.

Nieuwe geologische kaart van ons land 14

Nieuwe petroleurnbronnen in Noord-Rusland 15

Gasontwikkeling uit plutonische gesteenten 47

Martinique 70

Gemiddelde dichtheid der aarde 70

Palaeontologie.

Voorhistorische teekeningen 16

Menschenskeletten uit het quaternaire tijdperk 71

XII

INHOUD VAN IIKT WETENSCHAPPELIJK IJIJBLAD

Anatomie.

Bladz.

Ruggemergsziekte hij een mummie 56

Schetlelafwijking in verband met vaatvariatie 71

Mineralogie.

Onderscheiding van arragoniet en kalkspaat 32

Volkenkunde.

Boemerangs in Gallië 32

Uitsterven van Indianen in Canada 80

Anthropologie.

Leeftijd waarop de kinderen loopen 39

Overerving van misdadige neigingen 40

Verscheidenheid.

Duurzaamheid van boekbanden 8

Aantal negers en roodhuiden in de Vereenigde Staten 8

Siberische boter 47

Op Excursie! 64

Het noordelijkste door Nansen bereikte punt 72

Waardevermindering van het zilver 80

Boek-aankondiging 72

FRIEDRICH HEINCKE’S ONDERZOEKINGEN OYER DEN HARING

DOOR

H. C. REDEKE.

Van alle visschen is uit een maatschappelijk oogpunt , de haring verreweg de belangrijkste , omdat hij , meer dan eenige andere visch , ekonomisch van zeer byzonder gewicht is. Ik behoef slechts te herin- neren aan den bloei der Hansa in de middeleeuwen en aan de macht der Vereenigde Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw, die voor een goed deel rechtstreeks afhankelijk waren van de haring- visscherij en , vooral , van den haringhandel.

Voorts, om een enkel voorbeeld te noemen waar het oorzakelijk verband al bijzonder duidelijk is, aan de bittere ellende, die in den aanvang der vorige eeuw over de Zweedsche provincie Bohuslan kwam , toen na jaren van rijke vangsten de haring in 1808 plotseling weg bleef van de kust en jaren achtereen niet terugkeerde. In den tegen- woordigen tijd eindelijk zou zonder den haring een groot gedeelte van de Noorsche kust zoo goed als onbewoonbaar zijn.

Er is misschien ook geen tweede visch , waarover zooveel geschreven is. Keeds van de vroegste tijden af moet de regelmaat , waarmeê jaar in jaar uit, de haringscholen op de kusten plegen te verschijnen, een diepen indruk hebben gemaakt op het gemoed der kustbewoners en het is daarom niet zeer verwonderlijk, dat de vraag naar de herkomst dezer scholen reeds vroeg denkende geesten heeft bezig- gehouden. Tot de meest scherpzinnige hypothesen over de herkomst van den haring behoort de zoogenaamde ANDERSsoN’sche pooltheorie, die eertijds vele aanhangers had , doch thans voorgoed weerlegd is.

1

2 PRIEDRTCH HETNCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HA.RTNG.

Anüersson was omstreeks het midden der achttiende eeuw burge- meester van Hamburg en beschikte in die kwaliteit over tal van min of meer ofiicieele gegevens betreffende de haringvangst in ver- schillende landen. Hy kwam door redeneeringen , gebaseerd op deze gegevens , tot de slotsom , dat het ware vaderland van den haring de zeeën rondom de Noordpool moesten zijn. In zijn voorstelling brengen zij daar den langen , somberen winter door , diep verscholen onder het ijs. In het voorjaar evenwel trekken zij zuidwaarts, langs Ijsland, terwijl een groote school langs de Noorsche kust zwom. Deze verdeelt zich , zuidelpker gekomen , in verschillende takken , waarvan er een ter weerszijden van de Engelsche kusten omlaag ging tot in het Kanaal , terwijl andere de Oostzee binnen en langs de Hollandsche kust trokken. Op deze zwerftochten plantten zij zich voort en zochten tegen den winter, in gezelschap van de inmiddels geboren jongen het hooge Noorden weer op. Aldus is , in korte woorden , de hocfdinhoud der ANDERSsoN’sche theorie, die overigens op de in het algemeen juiste waarneming berust , dat de haring zich aan de ver- schillende kusten , waar hij voorkomt , steeds eerst in het noorden vertoont en later al zuidolijker gevangen wordt. Ik vermeld haar hier , omdat wij , wat van gewicht is , aanstonds zullen zien , dat zij lijnrecht staat tegenover de latere , juiste opvattingen omtrent den aard en de herkomst der haringscholen.

Gelijk uit het voorafgaande bij nader overleg duidelijk blijkt , gaat de ANDERSsoN’sche theorie uit van de veronderstelling, dat alle haringen feitelijk deel uitmaken van één grooten zwerm , en wordt aan den haring stilzwijgend het vermogen toegekend in betrekkelijk korten tijd enorme afstanden af te leggen.

Het is de groote verdienste geweest van den ouden mark elieser BLOCH in het eerste deel zyner »Oekonomische Naturgeschichte der Fische Deutschlands in 1782 verschenen, deze zwakste punten der ANDERSsoN’sche theorie het eerst te hebben aangetoond en weerlegd.

Later, in de eerste helft der vorige eeuw , zyn het vooral Zweedsche zoölogen geweest (nilsson , malm , ekström e. a.) , die op grond van talrijke faunistische onderzoekingen de eenheid van alle haringen hebben bestreden. Zij toonden aan , dat een haring en een haring twee zpn , dat bijvoorbeeld de haring, die in de scheren van Stock- holm gevangen wordt , een in alle opzichten ander dier is , dan de haring , die op de kust van Bohuslan thuis hoort. Hun meening was , dat elk zeegebied zijn eigen lokaalvorm bezit, die nooit verre zwerf-

FRIEDRICH FIEINCKE’s 0NDER7X)EKTNGEN OVEU DEN HARING.

a

tochten onderneemt, als het ware altyd in de buurt blijft en zich nooit met andere haringen van een andere vindplaats vermengt.

Daartegenover ontkenden andere , met name Deensche geleerden (KRÖYER, c. G. J. PETERSEN), ten heftigste het bestaan van dergelijke konstant verschillende lokaalvormen. Toch waren zij geen aanhangers van andersson’s pooltheorie en redden zich uit de moeilijkheid door te betoogen , dat er, nu ja, soms plaatselijke verschillen gevonden werden tusschen de haringen onderling , doch dat deze verschillen van voorbpgaanden aard waren en snel en gemakkelijk verdwenen , wanneer de haring zich naar een ander gebied verplaatste.

Een tusschenliggend standpunt namen eindelijk de Noren in (axel BOECK en G. o. SARs). Uit hun onderzoekingen bleek overtuigend , dat inderdaad verschillende , wèl te onderscheiden lokale rassen aan de Noorsche kust gevonden worden, doch dat in sommige gevallen ha- ringen , die men vroeger voor een afzonderlijken lokaalvorm meende te moeten houden, inderdaad slechts jonge, onvolwassen individu’s van een ander ras waren.

Deze strijd tusschen de Skandinavische geleerden , de toongevenden op het gebied van haringonderzoek , is vooral in het tweede en derde kwart der negentiende eeuw zeer heftig geweest. En hoewel er ten slotte geen twijfel aan het bestaan van verschillende rassen meer mogelijk was , slaagde men er toch niet in , elkander er van te overtuigen. En dit om de zeer eenvoudige doch zeer afdoende reden , dat men zich geen heldere voorstelling gemaakt had van wat men ten slotte onder een ras had te verstaan en men bij gevolg niet in staat was de haringrassen , zoo zij al bestonden, behoorlijk, wetenschappelijk te identificeeren.

Zoodanig nu was de stand van zaken, toen in het jaar 1875 door de »Kommission zur Wissenschaftlichen Untersuchung der Deutschen Meere” in Kiel aan Dr. friedrich heincke, den tegenwoordigen Direkteur van den Biologische Anstalt op Helgoland , werd opgedragen , zich meer in het bijzonder toe te leggen op de studie van het probleem der haringrassen en na te gaan , of in werkelijkheid zulke rassen ge- vonden worden en in hoeverre hun bestaan langs wetenschappelijken weg kan worden aangetoond. Heincke zette zich onmiddellijk met grooten ijver aan den arbeid en publiceerde de uitkomsten zijner eerste onderzoekingen in twee verhandelingen: »Die Varietaten des Herings”, eerste en tweede stuk, onderscheidenlijk in 1877 en 1881 verschenen.

4 FRIEDRICH HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN H.iRING.

Deze onderzoekingen vormen het begin eener nieuwe periode in de geschiedenis van het haringonderzoek , omdat hierbij voor de eerste maal gebruik is gemaakt van een gloednieuwe methode ter beschrijving en onderscheiding van soorten en variëteiten. In haar oorspronkelijken vorm nog tamelijk gebrekkig en onhandelbaar, is deze methode in beginsel toch de eenige juiste en vormt den grondslag voor heincice’s later, veel omvangrijker en in alle deelen volmaakter standaardwerk. ^

Wie ooit over de onderscheiding van rassen bij planten of dieren te schrijven onderneemt, zal voorloopig wel doen de HEiNCKE’sche methode van onderzoek tot de zijne te maken.

Om hare beteekenis naar waarde te schatten inderdaad schuilt de belangrijkheid van ueincke’s werk , gelijk wij aanstonds zullen zien , voor een niet gering deel juist in de methode is het dien- stig te hooren , wat heincke zelf ons er over meedeelt.

Hij schrijft in zijn »Naturgeschichte des Herings” I, bldz. 13: »Ik kwam tot deze nieuwe methode niet alleen door nauwkeurige onderzoekingen over de veranderlijkheid van talrijke zoet- en zout- watervisschen , waarover ik later verschillende opstellen heb gepu- bliceerd , maar ook en bovenal door een vergelijkende studie van de meest uiteenloopende geschriften over de variabiliteit der vrijlevende en tamme organismen, met inbegrip van den mensch , niet het minst door de studie van darwin’s werken. Bp my rijpte de overtuiging, dat de oude, van linnaeus afkomstige methode der systematische beschrijving ten eenenmale ontoereikend is om een inzicht te ver- krijgen in den yormenrijkdom der natuur en de wetten , die deze haar veelvormigheid beheerschen. Vooral laat deze methode ons in den steek , waar het gaat om de onderscheiding van nauw verwante soorten en om de kennis der tallooze vormen , waarin zich een en dezelfde ver verspreide soort aan ons voordoet.”

Heincke heeft voor goed met de oude sleur gebroken. Hij heeft het versleten instrument der Linneaansche , op het onderzoek van enkele, zoogenaamd „typische”, individu’s gebaseerde soortsbeschrpving weggelegd en is met nieuwe hulpmiddelen , met passer en maatstok en een enorm materiaal van nieuws af aan zijn werk begonnen.

^ Naturgeschichte des Herings. Teil I. Die Lokalforraen und die Wandevungen des Herings in den Europaischen Meeren. Text Ie Halfte. Tabellen und Tafeln. Berlin 1898, Abhandlungen des Deutschen Seefischerei-Vereins. Bnd. II, Heft 1 und 2.

FRIEDRICH HEINCKe’s ONDERZOEKINGEN OVER OEN HARING.

5

Wij zullen aanstonds, aan de hand van meer algemeene beschouwingen, de nieuwe methode zelve in haar geheelen om vang leeren kennen.

De vragen , waarvoor heincke bij het begin zijner onderzoekingen kwam te staan , laten zich in de volgende bewoordingen kort samen- vatten.

Behooren alle haringen der Noordeuropeesche zeeën tot één grooten , algemeenen stam of zwerm , die zich op gezette tijden in verschillende scholen splitst, welke in het uitgestrekte, door den haring bewoonde gebied verre en onregelmatige zwerftochten ondernemen?

Of bestaat de soort haring, de Clupea harengiis van linnaeus, uit wel te onderscheiden lokale vormen of rassen , die elk een bepaald , eng oraschreven gebied bewonen, waarin zp regelmatige, jaarlijks wederkeerende tochten ondernemen ?

Zijn er vele of slechts weinige zulke rassen , hoe ver strekt zich het door elk bewoonde gebied uit en hoever hun jaarlijksche zwerftocht?

Zijn deze rassen konstant , met andere woorden , is het komplex hunner eigenschappen jaar in jaar uit hetzelfde , of wijzigt het zich al of niet in verband met wijzigingen , die in het medium , waarin zij leven , optreden ?

Komen in eenzelfde gebied meer dan een ras naast elkaar voor en treft men de individu’s van het eene ras wel eens aan gemengd onder die van een ander?

Uit deze vragen, waarin de quinta essentia van het haringrassen- probleem ligt opgesloten, blijkt ten duidelijkste, dat de studie van dit probleem innig saraenhangt met de studie van de levenswijze onzer visschen. Niet alleen uit een theoretisch-wetenschappelyk, maar ook uit een praktisch-ekonomisch , visscherij-industrieel , oogpunt , zijn heincke’s onderzoekingen derhalve van het allergrootste belang. Twee vraagstukken , die zoo nauw verwant zijn , kunnen slechts ge- meenschappelijk tot een oplossing worden gebracht en in dezen geest heeft HEINCKE zijn taak dan ook van den beginne afaan opgevat.

Twee eigenaardige moeilijkheden deden zich al aanstonds voor: de eerste was, de onderscheiden haringrassen op te sporen en op bruik- bare wpze met voldoende nauwkeurigheid te beschrijven , de tweede was de haringscholen op haar jaarlpksche zwerftochten te volgen. Dit laatste is uitteraard voorloopig alleen op indirekte wijze moge- lijk, namelijk zoolang men er nog niet in slaagt, de scholen op haar

o PttlEüRlCH IIRINCKE’s ONDERZOEKINGEN 0\TER DEN HARING.

reis met eenig schip te volgen. Men moet dus de haringen als het ware een pas meégeven , waaraan zij ten allen tijde gemakkelijk en met zekerheid zijn te herkennen , en zulk een pas kan natuurlijk weer niets anders zijn dan eene exakte en volkomen betrouwbare beschryving van den lokaalvorm zelf.

Gelijk boven reeds is gezegd , bleek de ouderwetsche systematiek daarbij ten eenenmale onvoldoende. Deze gaat uit van de veronder- stelling , van het vooroordeel kan men wel zeggen , dat soorten en variëteiten van planten en dieren in enkele , bepaalde , zoogenaamde soorts- of ras-kenmerken konstante verschillen vertoonen , die aan weinige, » typische” individuen aangewezen kunnen worden. Deze meening is tegenwoordig nog zeer verbreid, getuige het groote aan- tal soorten » nieuw voor de wetenschap”, dat dagelijks, afgaande op de studie van enkele kenmerken, ja, soms zelfs op de kennis van slechts één individu , door diverse specialiteiten wordt beschreven. Of men daarbij van soort dan wel van verscheidenheid spreekt, hangt in den regel af van de persoonlijke appreciatie van het onderscheidende kenmerk.

Men pleegt zulk een gedrongen en uitteraard onvolledige soorts- beschrijving diagnose te noemen.

Bij een voorloopig onderzoek, dat zich over een betrekkelijk groot aantal individu’s uitstrekte , vond heincke nu , dat de bestaande diagnosen van den haring , en evenzeer die van den aan den haring nauw verwanten sprot, op nauwelijks tien procent der onderzochte individu’s volkomen van toepassing was. Na voortgezette nauwkeu- rige, vergelijkende studiën bleek hem, »dat deze diagnosen feitelijk op geen enkel individu in alle opzichten pasten , noch ook op een grootere groep , noch eindelijk op de gezamenlijke tot nog toe onder- zochte en beschreven haringen en sprotten”.

De » typische individu’s” bleken een fiktie te zijn: » typische individu’s”, die alle kenmerken der soort in zich vereenigen, komen in de natuur niet voor.

Breekt men echter met deze voorstelling van atypische individu’s” en beschouwt men alle normaal lijkende individu’s eener natuurlyke groep planten of dieren van minstens een paar honderd stuks als gelijk waardige vertegenwoordigers van de soort, dan blijken de ver- meende konstante kenmerken in hooge mate onderling afwykend te zijn. Hoe grooter aantal individu’s van verschillende vindplaatsen men vervolgens onderzoekt , des te uiteenloopender verschillen vindt

FlUEDllICH HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN IIaRING.

7

men, totdat er ten slotte nagenoeg geen kenmerken gevonden worden, die , hoewel ze als specifieke gelden , geen ontwijfelbare overgangen vormen zelfs tusschen verwante soorten.

Het ligt voor de hand , dat het met deze ervaring onbegonnen werk was, op de traditioneele manier te trachten haringrassen te beschrijven.

Deze moeilijkheid bracht heincke er toe een sinds jaren in de anthropologie gebruikelijke methode van onderzoek , namelijk de statistische, toe te passen bij de studiën zjjner haringen en sprotten. In plaats van slechts weinige individu’s van een bepaalde vind- plaats te onderzoeken , nam hij zonder keuze , voor de hand weg , een zoo groot mogelijk aantal en onderzocht elk op een zoo groot moge- lyk aantal kenmerken.

Nu leent zich , door zijn eigenaardige levenswijs , de haring (en evenzeer de sprot, dien heincke, ter vergelijking, steeds zijn bijzondere aandacht is blijven schenken) toevallig uitstekend tot een dergelijk statistisch onderzoek. Immers het was sinds lang bekend , dat de haring in bepaalde jaargetijden scholen vormt, die uit individu’s van gelijken of nagenoeg gelijken leeftijd bestaan en op bepaalde , min- of meer in eikaars nabijheid gelegen plaatsen van gelijke of nagenoeg gelijke bodemgesteldheid en in water van ongeveer dezelfde temperatuur en zoutgehalte, meestal in de onmiddellyke nabijheid eener kust, zich komen voortplanten. Nadat de paaitijd voorbij en de kuit gelegd is , verdwijnt de geheele zwerm , om in een volgend jaar omstreeks den- zelfden tijd met hetzelfde doel weer te verschijnen. Zulke haring- scholen noemt men paaizwermen en tal van visschen vormen , evenals 'de haring, in den voortplantingstijd dergelijke scholen. Zulk een haring-paaizwerm nu vormt als het ware de eerste , de elementaire systematische kategorie van den haring. Men kan veilig aannemen , dat de ongeveer even groote individu’s van zulk een paaizwerm ongeveer even oud en ten innigste aan elkaar verwant zijn en het is derhalve een zeldzaam gelukkig idee van heincke geweest, deze paaizwermen als uitgangspunt voor zijn rassen-onderzoek te kiezen.

Daar het heincke in de eerste plaats te doen was om exakte , geen tegenspraak duldende , uitkomsten , koos hij onder de nader te bestudeeren kenmerken van zijn haringen voornamelijk zulke, die gemakkelijk in maat of gewicht , in cijfers dus , kunnen worden uitgedrukt. Deze cijfers of getallen laten zich gemakkelijk en licht

8 FRIEDRICH HEINCKe’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HARING.

overzienbaar rangschikken ; men kan er bewerkingen mede uitvoeren , gemiddelden van berekenen , kortom , men kan , evenals in de anthropologische statistiek, met behulp dezer getallen achter een aantal eigenschappen komen van de kenmerken , die zij vertegen- woordigen. Deze cijfers zijn dus ook hier niet meer dan een, zij het ook onmisbaar, hulpmiddel.

Dergelyke gemakkelijk te meten en door een getal weer te geven kenmerken zijn in de eerste plaats de lengte van den visch , zijn

hoogte op verschillende plaatsen en de afstand van de afzonderlijke

vinnen tot aan den top van den snuit. Vervolgens het aantal wer- vels , het aantal kieuwboogstekels en het aantal kielschubben , dat zyn de buikstandige , scherpkantige schubben , die aan den buik der clupeïden het voorkomen van een zaag geven. Dan het aantal stralen der vinnen , de lengte der ongepaarde vinnen , de middellijn van het oog. Eindelijk het aantal portieraanhangselen (appendices pyloricae) en het gewicht der voortplantingsklieren (hom en kuit).

Het meerendeel der hier genoemde kenmerken , evenwel slechts het kleinste deel van de door heincke regelmatig bestudeerde , zijn

tevens die , waardoor de verschillende haring- en sprotrassen het

scherpst van elkander onderscheiden blijken te zyn.

Telt men nu bij een groot aantal haringen, afkomstig uit eenzelfden zwerm , bij voorbeeld het aantal wervels , dan vindt men voor elk individu een bepaald aantal. Telt men al die getallen bij elkaar op en deelt men de aldus verkregen som van alle wervels door het aantal individu’s , dan verkrijgt men een getal , dat aangeeft het ideale gemiddelde aantal wervels. Dit gemiddelde verdient te meer ver- trouwen , komt dichter bij de juiste waarde , al naarmate men meer individu’s onderzoekt. Dit is wel de voornaamste reden , waarom men liefst een zoo groot mogelijk aantal individu’s onderzoekt.

De kennis van dit gemiddelde is zeer belangrijk. Immers in de eerste plaats kan men zeggen , dat de onderzochte haringen geken- merkt zijn door het gevonden gemiddelde aantaJ wervels. Maar in de tweede plaats kan men , door de voor elk individu gevonden waarden met dit geniiddelde te vergelijken, nagaan, hoe zich deze waarden ten opzichte van dit gemiddelde gedragen , rondom het gemiddelde gegroepeerd zyn.

Doet men dit , dan blijken de verschillende individueele waarden op een hoogst merkwaardige wijze rondom dit gemiddelde gerang- schikt te zijn. Verreweg de meeste der onderzochte haringen blijken

PRIEDRICH HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HARING.

9

namelijk een aantal wervels te hebben , dat maar weinig meer of minder is dan bet gemiddelde, dat kenmerkend is voor de groep, waartoe zij behooren. Er zijn er evenwel, die wat meer afwijken; hun aantal is echter aanzienlijk geringer. Vervolgens komen er, die aanmerkelijk afwijken naar beide zijden , het zijn er echter slechts weinige, terwijl dan eindelijk de uitersten, die het meest afwijken van het gemiddelde, hoogstens ten getale van een of twee worden aangetroffen.

Met andere woorden: kleine afwijkingen van het gemiddelde zijn zeer gewoon , grootere afwgkingen zijn minder algemeen , zeer groote afwijkingen zijn zeer zeldzaam.

Of nog anders: de veelvuldigheid -eener afwijking is op een be- paalde wijze afhankelijk van haar grootte.

Deze bijzondere mate van afhankelijkheid, dit verband tusschen de grootte eener afwijking in een bepaalde lichamelijke eigenschap van haar gemiddelde en de frequentie dezer afwijking , is ontdekt door den Belgischen anthropoloog quetelet , en heeft in den laatsten tijd op botanisch zoowel als op zoölogisch gebied het onderwerp van veler studie uitgemaakt.

Quetelet, uitgaande van de gegevens, die hem de anthropolo- gische statistiek , met name de opmetingen aan rekruten in Ver- schillende landen , verschafte , vond , dat de individueele maten rondom het gemiddelde ongeveer gerangschikt waren even als de afzonderlijke waarden in een waarnemingsreeks rondom de gemiddelde waarde. Met andere woorden : de afwykingen van het gemiddelde type doen zich voor als de toevallige afwijkingen in een waarnemingsreeks en zijn, als deze, onderworpen aan de wetten der kansrekening. De kans- rekening nu leidt uit mathematische beschouwingen , die hier niet uiteengezet kunnen worden, af, dat de veelvuldigheid eener afwij- king op een zeer elegante en betrekkelijk eenvoudige manier afhan- kelijk is van haar grooite en deze af hankelijkheidswet is het, die quETELET het eerst als grondslag voor de latere biometrie heeft vastgesteld. ^

Latere onderzoekers , in de eerste plaats mathematici , hebben aan- getoond , dat de wet van quetelet in haar oorspronkelijken vorm slechts de uitdrukking was voor een bijzonder geval eener meer algemeene

Dit onderwerp is uitvoerig besproken in jaarg. 1898, bldz. 65 80, door prof. HUGO DE VRIES, onder den titel vau : »Eenheid in Veranderlijkheid.”

FRIl'DRICH HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HARING,

natuurwet. Het bijzondere geval is namelijk , dat de verschillende waarden , die men na meting van een enkele eigenschap bij talrijke gelijksoortige individu’s vindt , ook symmetrisch ten opzichte van het gemiddelde gerangschikt zijn, m. a. w. dat de gemiddelde waarde ook werkelijk by het grootste aantal individu’s aangetroffen wordt, terwijl er telkens een even groot aantal gevonden wordt dat gelijke- lijk in positieven en in negatieven zin afwykt. In werkelykheid , in de natuur, vindt men evenwel in verreweg de meeste gevallen, dat de afwijkingen in positieven en die in negatieven zin niet symme- trisch ten opzichte van het gemiddelde gegroepeerd zijn en dat mits- dien het grootste aantal individu’s de eigenschap in een mate blijkt te bezitten , die min of meer afwijkt van het rekenkundig gemiddelde De grootte van het verschil tusschen deze zoogenaamde dichtste waarde en tusschen de gemiddelde waarde kan natuurlijk als maatstaf voor de asymmetrie der waarde verdeeling worden gebezigd. Veelal is deze asymmetrie echter zoo gering, dat men haar gerust mag ver- waarloozen, en het verschijnsel van de ongelijkheid der dingen volgens de meer eenvoudige wet van quetelet kan behandelen.

De ongelijkheid nu van gelijksoortige dingen noemt menvariabüiteit \ in ons geval, waar het de ongelijkheid van verschillende individu’s van een soort of ras ten opzichte van eenig kenmerk betreft, spreekt men van individueele variabiliteit. ^ En waar men , bij planten of dieren of menschen , de individueele variabiliteit onderzocht, heeft men ge- vonden , dat zij altijd en overal bovenstaande algeraeene wet volgt.

Deze korte uiteenzetting betreffende de individueele variabiliteit was onvermijdelijk, ten einde tot een juist begrip aangaande de heincke’sche methode en eenige harer resultaten te geraken.

Heincke gaat nu als volgt te werk. Hij neemt een aantal (25, 50, 100 of meer stuks) haringen uit een bepaalde paaizwerm en onder- zoekt elk afzonderlijk op een groot aantal kenmerken. De kenmerken , het gemakkelijkst te meten , respektievelijk te tellen en voor de rassenonderscheiding van het grootste gewicht, zijn:

Ie. de totale lengte van den haring , gemeten van den top van den snuit tot aan het midden van de lijn , die de beide ongelijke

^ Ik behoef er nauwelijks aan te herinneren, dat deze variabiliteit, die ook w’el continue of fluctueerende genoemd wordt en eenvoudig de uitdrukking van een even- wichtstoestand is, niets heeft uit te staan met de discontinue variabiliteit, die een gebeurtenis is en aanleiding geeft tot het ontstaan van nieuwe soorten.

FRIEDRICH HETNCKE’s ONDERZOEKINGEN OVKR DEN HARING.

11

uiteinden van den op natuurlijke wijze uitgespreiden staart verbindt ;

2e. de grootste hoogte , gemeten ongeveer vlak voor de inplanting der rugvin ;

3e. de afstand van de rugvin tot aan den top van den snuit;

4e. de afstand van de buikvinnen tot idem ;

5e. de afstand van den aars tot aan den top van den snuit;

6e. de lengte der basis van de anaalvin ;

7e. de lengte der basis van de rugvin;

8e. het aantal wervels ;

9e. het aantal kielschubben voor en achter de inplanting der buik- vinnen ;

10®. het aantal stralen ‘der buikvinnen ;

11e. de zijdelingsche koplengte ;

12e. de graad der ontwikkeling van de geslachtsorganen.

. Behalve de hier genoemde , bij alle haringen in de eerste plaats onder- zochte kenmerken, heeft heincke nog een vijftigtal andere min of meer regelmatig aan tal van haringlichamen gemeten , geteld of gewogen , van al deze kenmerken de gemiddelden berekend en de mate van varia- biliteit, uitgedrukt in een zoogenaamde variatie-coëflScient, bepaald.

Zoodoende vond hij , dat de afzonderlijke eigenschappen gemiddeld in den regel uiterst weinig verschillen en zoo sterk varieeren , dat men, daarop alleen afgaande, geneigd zou zijn, de individu’s van geheel verschillende paaizwermen als behoorende tot een zelfde ras aan te zien. Doch tevens, dat de verschillende rassen duidelijk en gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn , indien men let op de wijze waarop de gemiddelden der onderscheidende kenmerken met elkander gecombineerd zpn.

Elk haringras is namelpk als zoodanig te herkennen aan een be- paalde , en voor zoover de ervaring reikt , constante combinatie van de gemiddelden der individueele eigenschappen.

Heeft men bijvoorbeeld een aantal zeer groote haringen met gemid- deld 57,6 wervels (een hoog cijfer!) en 14 kielschubben achter de buikvinnen, dan kan men er zeker van zijn, een Noorschen voor- jaarsharing voor zich te hebben. De haring van de Witte Zee is gekenmerkt door een bijzonder laag gemiddelde voor beide kenmer- ken, namelijk 53,6 en 12,4, terwijl onze Zuiderzee-haring , wat de wervels betreft, met 55,3 tusschen beide instaat, doch een grooter gemiddelde (14,3) voor de kielschubben vertoont.

Dit zijn een paar zeer sprekende gevallen : gewoonlijk zijn de ver-

12 FRIEDRICII HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HA.RING.

schillen geringer en moet men zijn toevlucht nemen tot talrijker kenmerken. Voorts heeft men steeds een zoo groot mogelyk aantal individu’s te onderzoeken, opdat het gemiddelde, dat men voor elk kenmerk vindt, zoo dicht mogelijk bij de juiste waarde kome.

Sommige kenmerken , zooals de lengte en de hoogte van den visch , de stand der vinnen , gemeten door den afstand van de vin tot aan den top van den snuit en de lengte der vinnen worden, gelijk boven reeds werd vermeld, met behulp van passer en maatstok gemeten. Om ze gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken , bezigt heincke bij zijn onderzoekingen niet de absolute waarden , (die uitteraard veranderen met den leeftpd en de grootte van de visch), doch drukt deze afstanden uit in de totale lengte. De zoo verkregen verhoudings- getallen heeten indices , meervoud van index , d. i. aanwijzer. De ervaring heeft hem geleerd , dat men het best doet met die indices in groepen te verdeelen en elke groep een letter of cijfer te geven. Deze groepen, die heincke » Variationsstufen’’ noemt, zijn eens voor al vastgesteld. Men ziet in welke groep een gevonden index thuis hoort , geeft hem het cijfer of de letter dier groep en krijgt zoo- doende voor de achtereenvolgens onderzochte kenmerken een een- voudige formule , die een klaar beeld geeft van de wijze waarop zij gecombineerd aanwezig zijn.

Aldus te werk gaande, is heincke tot een zeer opmerkelijk en uit een algemeen biologisch gezichtspunt hoogst belangrijk resultaat gekomen. Het blijkt namelijk, dat, wanneer twee rassen al in een aantal kenmerken sterk op elkander gelijken, er steeds andere ken- merken gevonden worden, waarin zij duidelijk en constant van elkaar verschillen. Ditzelfde geldt evenwel ook, en hier springt de groote beteekenis van de » methode der gekombineerde kenmerken”, zooals heincke zijn methode van onderzoek heeft genoemd, eerst recht duidelijk in het oog, ditzelfde geldt ook van de kenmerken van twee tot verschillende rassen behoorende individu s.

Een enkel voorbeeld moge dit nog verduidelijken. Ik kies daar- voor, als zeer sprekend, de verschillen tusschen haringen en sprotten. Principieel komt het natuurlijk op hetzelfde neer , of men individu’s van na verwante soorten , dan wel individu’s van verschillende rassen wil leeren onderscheiden.

Het is onmogelijk, afgaande op een enkel kenmerk, een haring van een sprot te onderscheiden , zelfs niet , wanneer men zulke enorm verschillende kenmerken kiest als bijvoorbeeld het aantal

FRTEDRICM HEINCKE’s ONDERZOEKINGEN OVER DEN HARING.

13

wervels, dat by den haring gemiddeld 56, by den sprot daarentegen gemiddeld 48 bedraagt , of wel het aantal kielschubben vóór de buik- vinnen (gemiddeld 28 tegen 22), of het aantal pylorus-aanhangsels (22 tegen 8). Want er zijn ontwijfelbare haringen en echte sprotten elk met 50 wervels, 24 kielschubben vóór de buikvinnen en 10 pylorus-aanhangsels. Menigeen zou geneigd zijn , zulke individu’s als bastaarden te beschouwen. Doch ten onrechte: zulke haringen en sprotten zijn zelfs niet inniger verwant dan andere , die ten opzichte van de genoemde kenmerken groote verschillen vertoonen. Integen- deel ; zij blijken echte haringen en ontwijfelbare sprotten te zijn door de> typische kombinatie van al hun kenmerken. Deze kombinatie wordt beheerscht 'door den regel, dat, wanneer twee individu’s van verschillende soorten (of rassen) in een of meer eigenschappen ste^k op elkaar gelyken of met elkander overeenkomen , er steeds andere gevonden worden , waarin zij des te meer van elkaar verschillen.

Door langdurige en uitgebreide onderzoekingen is heincke er in geslaagd de wet te ontdekken , die deze verdeeling der kenmerken op het individu beheerscht.

Na het onderzoek van talrijke haringen en sprotten op een zoo groot mogelijk aantal verschillende kenmerken vond hij , dat de ver- schillende eigenschappen van een enkel individu ten opzichte harer afwijkingen van het ideale gemiddelde op ongeveer dezelfde wijze ge- groepeerd zijn als de verschillende individu’s van een bepaald ras ten

opzichte van een enkel kenmerk. Of korter gezegd : alle kenmerken

van een individu gedragen zich ongeveer als alle individu’s van

eenig ras ten opzichte van éénzelfde kenmerk.

Op grond van wiskundige beschouwingen , die hier evenwel on- mogelijk in het kort uiteengezet kunnen worden , heeft heincke nu ten slotte uit bovenstaanden regel een middel afgeleid om te bepalen , tot welk der reeds bekende en voldoende beschreven rassen een

willekeurig gegeven individu behoort. Men bepaalt daartoe de som der kwadraten van de afwijkingen der verschillende kenmerken van het individu van de gemiddelden dier kenmerken bij alle in aan- merking komende ragsen. Het individu behoort dan tot dat ras, waarvoor de som der kwadraten van de afwijkingen het kleinst is.

Zoodoende is, althans voor de meeste gevallen, een zeker middel gegeven om te bepalen, tot welk ras een gegeven individu behoort en hiermede de mogelijkheid , wat ons punt van uitgang was , om de haringen op hun periodieke zwerftochten te volgen.

14 FftlKDKICH IIEINCKK’s ONDERZOKKTXGEN OVER DEN HARING.

Aan een materiaal van meer dan zesduizend haringen en sprotten , afkomstig van de meest uiteenliggende vindplaatsen in het Noord- atlantische gebied, heeft heincke met behulp van de boven beschreven statistische methode het bestaan- van haring- en sprotrassen onom- stootelijk aangetoond , en de bijzondere kenmerken en levenswijze dier rassen nader bestudeerd.

Hij vond dan, dat er, wat de haringen betreft, in de allereerste plaats twee groote groepen strengelijk van elkander te scheiden zijn , groepen , die aan een duidelijk verschil in bouw